De vraag hoe toegankelijk een park moet zijn, is een keuze die afhangt van de ligging en de bestemming van het park. Een kinderboerderij zou toegankelijk moeten zijn voor iedereen, maar niemand verwacht dat een natuurgebied volledig toegankelijk is.
Aan te raden valt de ingang, de hoofdpaden en de gebouwen (cafetaria, sanitair, overdekte schuilplaats, tentoonstellingsruimte, .) voor iedereen toegankelijk te maken.
De hoofdpaden zijn 1,80 m breed en zijn zonder kuilen en drempels, de andere paden zijn 1,50 m breed.
Het verharden van hoofdpaden is een noodzaak voor rolstoelgebruikers, mensen met kinderwagens en voor personen die slecht ter been zijn. Tevens vergemakkelijkt een verhard hoofdpad de oriëntatie voor blinden in het park.
De verharding moet vlak, aaneengesloten en stroef zijn, ook in natte toestand. Asfalt, tegels, betonklinkers of een slipvrije houten vloerbedekking komen hier o.a. voor in aanmerking.
Vanuit ecologisch standpunt of op paden die minder intensief gebruikt worden kunnen semiverhardingen toegepast worden zoals bijvoorbeeld dolomiet of klinkers met gras ertussen. Het voordeel is dat die materialen een natuurlijk karakter hebben en waterdoorlatend zijn.
De dwarshelling van de paden mag hoogstens 2 % zijn.
Toegankelijke paden moeten goed onderhouden worden of men moet kiezen voor onderhoudsvrije materialen. De rand van het pad is niet overwoekerd door planten.
Als in een moerassig gebied een houten steiger wordt aangelegd moet die een opstaande rand hebben van ongeveer 5 cm. Aan vijvers en steile afgronden moet er een hekwerk zijn als beveiliging.
De vrije doorgangshoogte van een pad bedraagt 2,10 m. Overhangend groen mag niet lager hangen.
Niveauverschillen worden opgevangen door een hellingsbaan en een trap.
De hellingsgraad van die helling bedraagt hoogstens 5 % voor een maximale lengte van 10 m en hoogstens 7 % voor een lengte van 5 m. Boven en onder elke hellingsbaan moet er een vlak bordes zijn. Het hellend vlak is minstens 1,20 m breed. De trap mag niet te steil zijn en is voorzien van slipvrij materiaal. Zowel langs de hellingen als aan de trappen zijn aan beide zijden stevige leuningen aangebracht tussen 85 cm en 1 m hoog.
Brugjes sluiten goed aan op de wandelpaden, zeker als ze uit een ander materiaal bestaan en hebben aan beide kanten een leuning.
Er zijn voldoende rustpunten met banken op de wandelwegen. De onderlinge afstand bedraagt hoogstens 200 m.
Blinden hebben een gidslijn nodig om hun weg te vinden met hun stok. Een gidslijn is een natuurlijk element zoals een gevel of een grasrand. Als er geen gidslijn aanwezig is, kan er een geleidelijn aangelegd worden met ribbeltegels.
Als er geen verlichting is in het park, zou een pad met lichttegels een oplossing kunnen bieden.
Het toegangspad is minstens 1,50 m breed (1,80 m is comfortabeler). Bij obstakels is een vrije breedte van 90 cm noodzakelijk.
Het toegangshek of -poortje moet gemakkelijk te openen zijn, de vrije doorgangsbreedte is minstens 90 cm.
Een draaihek is niet bruikbaar voor personen in een rolstoel of met een kinderwagen.
Paaltjes om de toegang voor (brom)fietsen te beletten mogen geen hindernis zijn voor rolstoelgebruikers, blinden en slechtzienden.
Fietsrekken aan de ingang helpen ervoor te zorgen dat fietsen geen obstakels vormen op de wandelroutes.
Openingen van roosters zijn niet groter dan 2 cm, sleuven liggen haaks op de looprichting.